Als Karel voor de eerste keer bij me binnenkomt, kijkt hij heel serieus. Hij gaat stilletjes op de rode zitzak zitten en wil niks drinken. Zijn moeder heeft me verteld: “Karel heeft faalangst”.

Sofietje, de poezenkitten die eigenlijk altijd wil spelen, komt nu heel rustig binnen. En gaat meteen bij Karel op schoot liggen. Dat vindt hij wel gezellig want huis heeft hij ook een poes. Alleen is die al veel groter en zwaarder en heet die poes Minou.

Dan klapt hij dicht en weet helemaal niks meer; faalangst

Karel is naar me gekomen omdat hij graag hulp wil. Hij zegt dat het over school gaat. Karel vertelt dat hij al 7 is en in groep 4 zit. Zijn meester heet Joep is best aardig. Je kan best met hem lachen. Maar streng is hij ook. Meester Joep stelt wel eens vragen aan de klas. Dat vindt Karel niet leuk. Want dan klapt hij dicht en weet hij ineens helemaal niks meer. Maar het allerergste is misschien wel als ze klassikaal gaan lezen. Dan geeft meester Joep iemand de beurt en die moet dan hardop lezen terwijl de hele klas meeluistert. Dat doen ze wel twee keer per week.

Strakke spieren en ruisende oren

Wat er dan allemaal gebeurt met Karel is echt niet grappig. Hij krijgt helemaal strakke spieren en het gaat ruisen in zijn oren. Als hij dan ook nog de beurt krijgt gaat hij eerst stotteren en dan komt er vaak helemaal niks meer uit zijn mond. Nou je begrijpt, dat dat niet vol te houden is en daarom komt Karel bij mij. Want hij wil een beetje hulp zodat hij weer gewoon lekker naar school kan. Want naar school gaat hij nu wel maar lekker is het natuurlijk niet. En hij vindt het ook niet leuk dat zij zijn vader tegen de buurman heeft horen zeggen dat hij onzeker is en faalangst heeft. Want dat heeft hij zelf gehoord! En begrepen ook.

Zij zijn groot en ik ben klein

Ik vraag Karel of hij mij met de familie poppetjes wil laten zien hoe zijn gezin eruit ziet. Hij zet eerst zijn grote broers neer en daar heeft hij er wel 5 van! Dan ook nog zijn vader en zijn moeder. Als allerlaatste zichzelf. Dan vraag ik Karel of er iets is wat hem opvalt. Hij zegt: “Ze zijn allemaal heel groot en ik ben heel klein.” Dat had ik ook al gezien. Want hij had iedereen op een blokje gezet waardoor ze heel groot waren.

faalangst - Twinkels

Behalve Karel zelf, hij leek daardoor een stuk kleiner. In het echt was hij dat natuurlijk ook wel. Maar het verschil was nu ongeveer zo groot als het verschil tussen klein duimpje en de reus. Het was ook nog eens zo dat iedereen bij elkaar stond. En Karel op een afstandje, helemaal alleen.

Een poppetje kan toch niet voelen?

Ik vraag Karel zijn vinger op het poppetje te leggen dat hij zelf is. Hem te vragen hoe hij zich voelt. Hij kijkt me eerst even verbaasd aan. Zo van: jij bent gek, een houten poppetje kan toch niks voelen? Maar omdat hij me naast een beetje gek ook wel leuk vindt, wil hij het best proberen.

Eerst kijkt Karel bijna nog serieuzer dan hij al deed. Maar al snel kijkt hij ook een beetje verbaasd, begint hij te praten en vertelt hij dat het poppetje zich heel erg alleen en klein voelt. Ik vraag of dit al lang zo is. “Ja”, zegt hij alleen maar. En dan ineens begint hij te vertellen over zijn grote broers. Die altijd maar zeggen wat hîj allemaal niet kan omdat hij een ukkie is. Dat hij niet kan rekenen, niet kan schaken, niet kan badmintonnen en nog veel meer niet kan. Hij eigenlijk nergens goed in is. Zij alles juist wel heel goed kunnen. Dat is hij allemaal gaan geloven. Want zij zullen het wel weten.

Dan maakt het niks uit dat papa en mama zeggen dat ze hun grote mond moeten houden. Want dan is het allemaal al gezegd. Als papa en mama er niet bij zijn, doen ze het toch ook. Misschien nog wel veel harder. Zo is het gekomen dat Karel steeds helemaal dichtklapt in de klas. Want dan weet hij het niet meer en durft hij ook net meer.

Pas 7…..

Samen gaan bedenken hoe Karel zich weer fijner kan gaan voelen in de klas en ook thuis. Ik vertel hem dat hij pas 7 is. En het heel normaal is dat hij al die dingen die zijn broers al wel goed kunnen, nog niet zo goed kan. Hij is nou eenmaal jonger dan zij zijn. Zij konden dat ook allemaal nog niet toen ze 7 waren. Maar dat zijn ze vast een beetje vergeten. Hij moet gewoon nog een paar jaartjes wachten voor hij het allemaal ook zo goed kan als zijn broers.

Samen gaan we oefenen wat hij kan zeggen als zijn grote broers weer beginnen te klieren. Dat hij bijvoorbeeld kan zeggen dat hij die moeilijke sommen lekker nog niet hoeft op te kunnen lossen omdat hij pas 7 is. En dat het kinderachtig is om te zeuren dat hij niet kan schaken omdat hij nou eenmaal nog geen 11 is. Dan haalt Karel al zijn broers van hun blokjes zodat ze weer een stukje kleiner worden. Voor Karel weer naar huis gaat, geef ik hem nog een heel moeilijk raadsel voor zijn broers mee waarvan alleen hij en ik de oplossing weten………..

Deel dit verhaaltje met je netwerk als je denkt dat het een kind kan helpen. Klik op één van de social media knoppen om het te delen.